's Ochtends neem ik een foto vanuit het raam van mijn slaapkamer. Prachtig licht over de stad, een lichtroze gloed, zonnig oranje reflecteert in sommige ramen.
In de trein gaat het feest verder. Warmte op mijn gezicht, de kleding van de mede-reizigers lijkt kleuriger dan anders.
Buiten, langs het fietspad, wandelend naar mijn werk. Eendjes waggelen naast de sloot, door het gras. Of liggen op te drogen, bijna in zonnebaadstand met hun oogjes dichtgeknepen.
Het lentegevoel lijkt zich van iedereen meester te maken. Hoewel... Bijna iedereen. In een van de flats zie ik een vrouw haar gordijn openschuiven. Ze kijkt, een seconde, en schuift het gordijn bijna in één vloeiende beweging weer dicht.
Niet voor iedereen is het al zonnig genoeg.
Onze blikken kruisen elkaar terwijl ik in de trein mijn jas uittrek. De trein is nog niet vertrokken, iedereen is zich aan het installeren op een van de schaarse zitplekken in de op dit tijdstip altijd overvolle Fyra.
Ik merk het op, negeer het, en leg mijn jas bovenop mijn tas op de stoel naast me. Stiekem - sorry voor eenieder die mij inschatte als een sociaal persoon - in de hoop dat er niemand naast me komt zitten. Stel je voor zeg.
Tevreden met mijn plekje aan het raam en een verse 'Metro' lees ik het nieuws dat ik de avond daarvoor al lang en breed via een online medium heb kunnen lezen.
De toegevoegde waarde van een gratis ochtendkrant zit 'm dankzij de vele nieuws-Apps op mijn smartphone alleen nog in leuke stripjes en columns. Met veel plezier lees ik dan ook 'De killer van de treinflirt', waarin de schrijver zijn frustratie uit over het volledig gebrek aan flirten in de trein sinds het 'smartphone-tijdperk' is ingetreden.
Met een glimlach van herkenning vouw ik de krant dicht terwijl mijn trein stopt op station Schiphol. Tijd om mijn jas weer aan te trekken. Terwijl ik mijn sjaal omsla en mijn telefoon in mijn tas wil stoppen merk ik dat ik wederom oogcontact heb met de man van 'een paar stoelen verderop'.
Dit keer negeer ik hem niet. Hij glimlacht, ik glimlach terug. We zullen nooit van elkaar weten: was dit een treinflirt, of was dit een verontschuldigende 'ik-heb-net-een-herkenbare-column-in-Metro gelezen-jij-zeker-ook'-glimlach?
De man tegenover me beslaat het hele tweezitsbankje met zichzelf en al zijn tassen. "Mevrouw, Leiden, half uurtje ongeveer?", vraagt hij me.
Mijn bevestigende antwoord is een uitnodiging voor een verder gesprek. "Jeetje, ik ben al zo lang onderweg, bij vrienden geweest, geintjes uitgehaald, je kent het wel, ze hebben me even naar Amsterdam gebracht, en nu ben ik weer onderweg naar Leiden, poeh", zegt hij.
Ik antwoord dat het klinkt alsof hij het erg naar zijn zin heeft gehad. "Klopt, en joh, dat treinreizen ook! Ik ben clini-clown, weet je, en ik kijk altijd naar mensen om me heen, en dan verzin ik er hele verhalen bij."
Ik lach, uit herkenning, en luister naar zijn omschrijving van de mensen die hij afgelopen treinreis al zag. Mensen met een 'air', neus in de lucht, mensen met gekromde schouders, een zware last meetorsend. De man weet alles visueel te maken met zijn eigen lichaamshouding en expressieve gezichtsuitdrukkingen.
"Tsja, als je clini-clown bent, dan kun je daar niet meer tegen hoor, echt niet." Hiermee doelt hij op klagende mensen. Meisjes, bijvoorbeeld, die klagen over een gebroken nagel. Die vraagt hij vaak of ze misschien een dokter of therapeut nodig hebben. Niet te vergelijken met de kindertjes die hij ziet, en die hem soms met een stoere houding vertellen dat ze in feite 'wegrotten van binnen' en vervolgens zonder morren hun zoveelste operatie ondergaan.
Alle verhalen worden verteld met een grote grijns, een sprankeling in zijn ogen, en gaan vergezeld met grote gebaren en een overduidelijke passie voor zijn werk.
"Nee, dan jij", vervolgt de man die ik enkele minuten geleden voor het eerst heb ontmoet. "Jij bent echt een feestje. Vrolijk. Geen klager. Gewoon een feestje." En terwijl ik hardop begin te lachen om het feit dat ik een feestje genoemd wordt verbetert hij zichzelf. "Oh nee, nee, sorry, geen feestje, jij bent de afterparty! Jij bent het feestje ná het feestje. Als het feestje op is kom jij met nóg een feestje."
Als ik even later uit de trein stap en nageniet van mijn ontmoeting met deze unieke persoonlijkheid bedenk ik me dat ik hem eigenlijk uit had moeten nodigen voor een afterparty. De afterparty die zou plaatsvinden na het feestje waarop gevierd wordt dat er zulke open, vrolijke en originele mensen zoals hij bestaan.
Wat jij als bezoeker van ZigZagCity zult beleven is natuurlijk heel anders dan wat ik zal beleven. Geen twee mensen zullen hetzelfde zien en denken als ze naar hetzelfde plaatje kijken: onze ervaringen uit het verleden bepalen hoe we een beeld of ervaring inkleuren. En dus zul jij jouw Rotterdam anders ervaren dan ik het mijne.
Hoogtepunten
Voor ZigZagCity heb ik een aantal persoonlijke hoogtepunten opgesteld. Sinds ik in New York City over de High Line heb gelopen kijk ik erg uit naar de Luchtsingel die middels Crowdfunding gebouwd zal worden. De Luchtsingel is een onderdeel van I / We / You Make Rotterdam, en is onlangs via publieksstemmen uitgeroepen tot 'beste Stadsinitiatief'. Leuk! Heel benieuwd ben ik naar welke ideeën er nog meer onder Rotterdammers leven als het gaat om het verbeteren of verlevendigen van de stad, en dus bezoek ik zeker het NAi waar onder andere de tentoonstelling Making City getoond wordt.
Ooit was
Gek als ik ben op rare contrasten in grote steden, of dingen die doen beseffen wat 'ooit was', moet ik ook zeker kijken naar de 'happy sheep' die geplaatst worden in de tuin van het Chabot Museum. Vroeger waren er weilanden zichtbaar vanaf deze locatie. Met dit in mijn achterhoofd zal het uitkijken over deze tuin vast een andere ervaring zijn, en laat ik dat nu net heel erg leuk vinden.
Opblaasbare paviljoen
En als ik dan toch bezig zijn met de stad vanuit een ander perspectief te bekijken: even langs het Schouwburgplein voor het opblaasbare paviljoen Comntemplatorium-Vortex, een kunstwerk waar je zowel naar kunt kijken als in kunt liggen.
Op grote hoogte
Ook mooi: op grote hoogte een kopje koffie drinken. Hoewel Het Hofplein nu niet direct de eerste plek is die ik associeer met vrije tijd en ontspanning kun je tijdens ZigZagCity op 18 hoog in De Hofpoort terecht in een tijdelijke koffietent. Hm, uitkijken over de stad vanaf een onbekende locatie met een kop hete thee? Klinkt goed!
Jamin
Zoals gezegd, iedereen ervaart dingen op een andere manier, en dus zijn mijn gekozen hoogtepunten waarschijnlijk anders dan de jouwe. Ga je vast oriënteren op de website, of probeer ergens een programma-boekje op te pikken. Er staan onder andere twee interviews in met Rotterdammers ( Annet Schiebergen en Paul Zijdenbos) die al in Rotterdam woonden en werkten voordat ik geboren was... Meer van dit soort verhalen ga ik graag beleven tijdens de Locatie Theater, in onder andere snoepwinkel Jamin, waar 'een beeld wordt geschetst over de voormalige snoepfabriek in Crooswijk'. (Hm, en dan proberen van de chocola af te blijven!)
Lekker zeg, er wordt weer eens iets gedaan met architectuur in Rotterdam! In 2007 heb ik met volle teugen genoten van het Wolkenkrabberweekend. Vanaf het KPN-gebouw en bovenop het WTC genieten van de mooie skyline van Rotterdam. Wat mij betreft de architectuurstad van Nederland, en daarom verbaast het me ook niets dat ZigZagCity in het leven is geroepen.
Website
Voorlopig moet ik me nog even zoet zien te houden met de websitezigzagzity.nl, want het festival begint pas op 20 april. Wat kunnen we al zien op de website? In ieder geval een introductie van het festival, namelijk met de volgende omschrijving: "Beleef de stad op een onverwachte manier tijdens de eerste editie van ZigZagCity. Het nieuwe architectuurfestival leid je via een alternatieve route dwars door het Lijnbaankwartier naar verborgen binnenplaatsen en tuinen."
Nieuwsgierig
Een andere kijk op de stad die ik goed denk te kennen, dat spreekt me wel aan. Binnenplaatsen? Tuinen? Twee dingen waarvan ik niet eens besef dat we die kunnen vinden in de binnenstad, dus dat prikkelt alvast mijn nieuwsgierigheid.
Programma
Het programma staat al (bijna volledig) online. Met mijn voeten nog moe van een paar uur shoppen op de Lijnbaan begrijp ik wat er bedoeld wordt met de omschrijving "Vroeger had het gebied echter meer uitstraling en sfeer dan tegenwoordig". De Lijnbaan is toch een beetje datgene waar ik me altijd voor moet verdedigen als ik met niet-Rotterdammers over mijn stad praat. "Maar Rotterdam is zo grijs!", roepen ze vaak uit. Het kost me vaak veel moeite uit te leggen dat Rotterdam diverser en kleurrijker is dan alleen de Lijnbaan en de Koopgoot. Heel benieuwd ben ik dus naar de metamorfose die de Lijnbaan zal ondergaan tijdens ZigZagCity.
Iets om over na te denken
De website biedt alvast wat prikkelende informatie, een agenda, een korte omschrijving van de route, en meer. Ik ben nieuwsgierig geworden naar wat het festival allemaal gaat brengen, en hoop jullie ook! Ga ik nu even nadenken over 'Making City' in het NAi, want hoe ziet mijn ideale Rotterdam er eigenlijk uit?
[Deze blog heb ik geschreven in opdracht van ZigZagCity, dat plaatsvindt in Rotterdam van 20 april tot en met 6 mei. Het origineel is hier te bekijken.]
Ik was vanavond de enige die niets te vieren had. En daarom verzonnen mijn vriendinnen maar dat er gevierd moest worden dat ik 'Roos' ben. Dus dronk ik een biertje extra. Omdat het maandagavond was, en ik Roos ben.
Een paar luchtige woorden, die geen doel hadden, behalve mij blij te maken. Een paar woorden die vanuit zijn oprechtheid rechtstreeks mijn hart bereikten. Alsof ik klaar was ze te ontvangen, zonder dat ik daar vooraf bij stil had gestaan. Ineens zat ik te huilen. Omdat hij mij meer accepteert zoals ik ben dan ikzelf.
Een zachte stem. Hij laat me luisteren naar mijn lichaam. Me bewust worden van de sensaties. Leert me het te accepteren. Leert me ernaar te kijken, ze voor mezelf te omschrijven.
Zachtjes praat hij door mijn proces van bewustwording heen. "Misschien voel je spanning. Of een tinteling. Of misschien voel je juist niets. Dat is allemaal goed."
"Je voelt nu je linkerhand. Vergelijk hem eens. Misschien voelt je linkerhand nu groter dan je rechterhand. Als je dat niet voelt, dan, oké, ook goed."
Nog een keer adem ik. In. Uit. Voel ik de beweging van mijn ademhaling. En hoor ik weer zijn stem, die me vertelt: "Zo niet, dan niet"
Hoe verder de les vordert, hoe makkelijker het accepteren wordt. En hoe fijner het voelt. En hoe beter ik het begrijp. En hoe meer ik besef dat deze houding en acceptatie goed bij me passen. En dat ik het nog beter wil kunnen, in alle facetten van mijn leven.
"Of als je iets anders voelt, dan voel je wat anders. Dan is dat gewoon zo."
Dan is dat gewoon zo.
Wat een verademing.
In het midden van al zijn instrumenten staat de zanger. Met gesloten ogen gaat hij op in zijn zang. Met gevoel voor ritme beweegt hij op de tonen van de muziek. Met gekromde schouders buigt hij zich naar een van zijn instrumenten om op het juiste moment de juiste tonen aan te slaan. Multi-tasken, en hoe. Als een roofdier valt hij een van zijn drumstellen aan, jagend op een ritme dat ik niet bij kan houden, zo snel, zo energiek, zo hard.
Achter en om de zanger heen staan de andere leden van de band. Net zo energiek. Net zo muzikaal. Net zo aan het opgaan in de muziek. Als een van de muzikanten met een voor mij onbekend toetsapparaat twee minuten lang tonen aanslaat, springend, met gesloten ogen, zwetende oksels, gaat het publiek om mij heen los. En dan is daar weer de zanger. Met een fantastische drumsolo. Weer die gekromde schouders, weer het gevoel dat er even geen mens maar een dier op het podium staat.
Puur genot. Gotye, Tivoli, Utrecht, 19 februari 2012.
World Press Photo 2012: de winnende foto is al veelvuldig in digitale en analoge media voorbij gekomen. Nieuwsgierig naar de andere foto's scroll ik door naar de tweede. Pas na het lezen van het onderschrift bekijk ik de foto wat beter. En nog beter. En hoe langer ik kijk en tot me door laat dringen wie en wat deze meisjes zijn hoe groter de knoop in mijn maag wordt. Een foto die ik mooi vind, vanwege de kleuren, de serieuze uitdrukkingen op de gezichten, vanwege het culturele beeld dat ze schetst, en ook simpelweg vanwege de jurken van de meisjes.
Een foto die ik zo graag beter tot me door wil laten dringen. Waar ik het verhaal beter van zou willen leren kennen. Een foto doe me doet besluiten de andere foto's op een later tijdstip te gaan bekijken.
Een bouwkraan, de haven. Een fijne band, die bijna onaangekondigd een pop-up optreden komt verzorgen. Stromende regen. Zingende mensen. Dansende mensen. Fijne hits. Nieuwe hits. Druppels die langs je krullen over je wangen rollen. De stad. Jouw stad. Een klein feestje aan het begin van de zaterdagavond. De koude voeten doen er niet toe.
Thuis, douchen, warm worden, nagenieten.
In mijn droom belde ze me. Huilend, van blijdschap. Ze kon niets zeggen. Ik zei, vragend: "Ja...?", want dat was het enige wat ik wilde horen. Haar 'ja'.
Na vele snikken kwam het eruit. 'Ja'. Ik riep: "JA!"
Dat was de droom. Nu de werkelijkheid. Ze belde me, daarnet. Met iets van vreugde in haar stem. Ik zei, vragend: "Ja...?", en werd meteen weer aan mijn droom herinnerd. Het enige wat ik wilde, maar ook ging horen, was haar 'ja'.
"Ja", zei ze, lachend dit keer.
"Ja!", riep ik blij.
Ik kwam nooit in Duivendrecht. Of in Eindhoven. Of in Arnhem (laat staan Arnhem Presikhaaf), 's-Hertogenbosch, Doetinchem, Hengelo, Sittard, Katwijk of Ede. Maar dankzij mijn leuke baan kwam ik er ineens wel. Voor het eerst. En dat was leuk. Ik leerde de wereld een beetje beter kennen. En mezelf.
Maanden later, mijn laatste dag gevierd, staat er een bos bloemen uit Velp op mijn Rotterdamse dressoir.
Er zijn mensen die andere mensen ontwijken. Zich verstoppen. Langs de muur schuifelen, hopend niet gezien te worden. Juist die onzichtbare mensen trekken mijn aandacht. Waarom ben je zo verlegen? Waarom ben je zo onaanraakbaar? Waarom ben je zo zeker van het feit dat andere mensen niet naar je willen kijken?
Ik lach wel eens naar vreemden op straat. Gewoon, omdat het kan. En omdat je soms een glimlach terug krijgt. Soms ook niet.
Het gebeurt wel eens dat ik iemand zie lopen en denk: "Hm, wat een sjagrijn". Als ik diegene dan - onbewust waarschijnlijk net zo sjagrijnig - aankijk gebeurt er wel eens een klein wonder: er verschijnt op twee sjagrijnige gezichten een glimlach.
Mooi vind ik dat.
Een paar weken terug las ik op nu.nl 'Genegeerd worden door vreemde doet pijn'. Sindsdien heb ik een probleem. Ik lach nu niet meer 'wel eens' naar vreemden op straat. Ik voel me nu ronduit schuldig als ik het een keertje niet doe.
Terwijl ik in bed mijn dag aan het overdenken was, schoot ik ineens recht overeind. "Ik moet nog een stukje schrijven!"
Net heerlijk opgewarmd, al bijna in slaap, en toch mijn bed uitgeklommen om nog snel even aan mijn dagelijkse 'taak' te voldoen. In het donker, achter een veel te fel verlicht beeldscherm, met kippenvel op mijn armen, en met in mijn achterhoofd de warmte en de zachte dekens die ik heb moeten verlaten.
Ik neem dit serieuzer dan ik zelf dacht.
We ontmoeten elkaar ergens in de stad. Met plannen. Een museum, of winkelen, of wat dan ook. Iets doen, samen. Als we elkaar zien begint meteen een waterval aan woorden te stromen. Tussendoor wijst een van de twee een winkel aan. We pakken even een shirtje vast, een van ons wijst naar een trui die ze mooi vindt, maar de ander heeft die trui vorige week al gekocht. Dezelfde genen, dezelfde smaak, moeder en dochter. Midden in het gangpad staan we stil. Altijd in de weg. Mensen kunnen er niet langs. We praten, en praten. En vergeten onze plannen. Ook de lunch die in de plaats van de plannen komt duurt lang. Praten, praten.
Dan gaan we weer naar huis. Ook de volgende keer dat we iets plannen zal het in een waterval van woorden verdwijnen. Wij hoeven niets te doen. Wij hoeven alleen maar ergens te zijn.
Enige tijd geleden stond er een stoere Amerikaanse te vertellen over haar onderzoek naar synesthesie. 'Het door elkaar lopen van zintuigen' is waarschijnlijk de makkelijkste manier om dit uit te leggen. Denk bij een synestheet aan iemand die letters en cijfers in kleuren ziet, iemand die geluiden ruikt, iemand die geen noten kan lezen maar er wel kan aangeven dat de muziek 'iets bruiner' moet.
Vriend E. is een voorbeeld van de eerste vorm van synesthesie, Toon Hermans een voorbeeld van de laatste vorm van synesthesie. Mijn held Daniël Tammet compenseert met synesthesie op bepaalde vlakken zijn autistische kenmerken. Fascinerend, vond ik altijd. Waarom hebben de hersenen van sommige mensen besloten de scheidingslijn tussen onze zintuigen los te laten?
Toen de Amerikaanse ons uit wilde leggen wat synesthesie was, stelde ze ons een paar vragen. "Denk eens aan wat je deed in 2008", zei ze. "Denk nu eens aan wat je deed in januari 2010", zei ze daarna, "en in december". "En denk eens aan wat je begin dit jaar hebt gedaan", sloot ze af.
Vervolgens vroeg ze: "hoeveel van jullie hebben een plek voor al deze tijdsmomenten in hun hoofd?"
Verbaasd stak ik mijn hand op, want natuurlijk was 2008 links van 2010, en natuurlijk was januari ook links van februari, en december was uiteraard rechts te vinden.
Maar mijn verbazing werd groter toen ik vriendin I. met grote ogen naar me zag kijken. En toen ik het zaaltje rondkeek zag ik dat er een flink aantal handen omhoog waren gegaan, maar dat er ook een flink aantal handen omlaag bleven.
Sindsdien weet ik dus dat ik zelf een vorm van synesthesie heb. Time-space synesthesia, om precies te zijn.
Er hangt een bedompte sfeer in de vroege trein richting Utrecht. Ik vermoed dat het te maken heeft met de 'in verband met de weersomstandigheden aangepaste dienstregeling door heel het land', waardoor de trein die normaal richting Enschede rijdt nu niet voorbij Utrecht Centraal gaat. Voor mij ver genoeg, maar de gezichten van enkele reizigers turen al zenuwachtig naar de trein- en NS-apps op hun smartphone, om te zien of en waar de volgende trein zal gaan.
Hoe snel zo'n grijze stemming om kan slaan wordt bewezen wanneer een van de reizigers moet niezen. De doodse stilte van een seconde geleden wordt met zo'n luid gebulder doorbroken dat het bij veel medepassagiers minimaal wat geschrokken oogknipperen veroorzaakt. Als vervolgens een andere medepassager met een diepe luide stem 'gezondheid!' door de coupé roept slaat dat oogknipperen voorzichtig om in een glimlach op enkele gezichten.
Helaas is de lucht die dit korte intermezzo in de bedompte trein heeft gebracht van korte duur. De niezende passagier had zijn mond kunnen houden, maar in plaats daarvan besluit hij te reageren: "Dankjewel, ik kon nog maar net op tijd bij mijn zakdoek, haha", waarna hij met veel omhaal zijn snotterige neus begint te snuiten.
In gedachten zie ik de glimlachen op de gezichten van de passagiers verdwijnen. Of zelfs veranderen in een soort afkeurend neusophalen. Eerlijk gezegd weet ik niet precies wat er gebeurt. Ik besluit me zo veel mogelijk van deze overdaad aan onaangename prikkels af te sluiten door me te richten op de mooie witte landschappen waar de trein naar Utrecht Centraal doorheen rijdt.
Ik voelde me vandaag heel erg Sex and the City toen ik in sportkleding op een matje in een warme met waxinelichtjes verlichte ruimte zonder klok mijn handen boven mijn hoofd bracht om mijn chi vervolgens via mijn hoofd naar mijn buik te sturen.
Nog meer dat ik nooit eerder deed: twee middelvingers in mijn navel laten rusten. Met mijn ogen dicht naar mijn eigen lichaam luisteren. Onder een fleecedeken liggen en het koud krijgen na een les waarin ik voor mijn gevoel 'niets' heb gedaan, maar het ongemerkt toch warm van heb gekregen.
Change is good, schreef ik gisteren. Zhineng Qigong is een verandering waar ik nog even over na ga denken.
Het huis uit. Lopend. Langs het onlangs geopende Yogacentrum, een lesje Zhineng Qigong inplannen. Nieuw, geen idee wat het is.
Via de Hoogstraat, op weg naar de Meent. Drogisterij. Op naar de markt. Een Turks brood. Doorlopen naar de supermarkt. Paprika, sla, geitenkaas, muesli, magere yoghurt.
Met een volle boodschappentas fluitend naar huis. Nog even vier trappen oprennen. Weer thuis.
De onbekende mede-Rotterdammer heeft vandaag niets opvallends aan mij gezien. Zij die mij kennen zullen in bovenstaand stukje enkele opvallende details lezen.
Ik zocht het op in mijn agenda: 30 mei 2011 is de datum waarop ik besloot mezelf een andere levensstijl aan te meten. Keer op keer besef ik: de nieuwe levensstijl past.
Change is good.
De rustige, soms sociaal onhandige, vertederende Bachir Lazhar. Een Algerijnse man die als vluchteling in Canada onzeker is over de hulp die hij kan bieden aan een groep kinderen die een groot verlies moeten zien te verwerken. Een man die zelf hulp nodig heeft, zijn toekomst niet zeker is, zijn verleden definitief verloren heeft, maar nergens over wil praten. Die een beetje kleur in zijn steriele klas wil brengen door er een plantje neer te zetten, het plantje overleeft het niet.
Als hij een beetje verlegen en verscholen achter een deurpost een andere klas inkijkt begrijp je dat. Hij is hier nog niet op zijn plek, in deze vreemde nieuwe wereld. Als hij zijn enige Arabisch sprekende leerling afstraft omdat die iets in zijn moedertaal vertelt moet je glimlachen. Want hoe fijn moet het stiekem voor hem zijn om iets van thuis te horen.
En laten we naast Monsieur Lazhar de perfect gecaste kinderen niet vergeten. En de directrice van de school. En de gymleraar met zijn belachelijke fluitje. Stuk voor stuk prachtige personages in een briljante film. Een film die het verhaal van verdriet en rouw luchtig en met onverwachts grappige momenten weet te vertellen. De terechte winnaar van de publieksprijs van IFFR 2012.
Ik kocht vandaag een grijs-wit gestreepte boodschappentas. Dus de weblognotitie van vandaag zou gaan over hoe blij ik werd van die grijs-wit gestreepte boodschappentas.
Gaap.
Om het op te leuken hoopte ik iets te vinden op het wereldwijde web. Ik beval - ja, zo ben ik - Google het web te doorzoeken op 'patterns'. En wat zag ik? Deze eenvoudige zoekopdracht geeft nog steeds als eerste resultaat Squidfinger Patterns, de website waar ik 'vroeger', jaren geleden, regelmatig met veel liefde doorheen bladerde op zoek naar het beste patroontje voor mijn nieuwe webloglayout.
Ik werd toen van die patroontjes net zo blij als vandaag van mijn nieuwe grijs-wit gestreepte boodschappentas.
Nu ben ik ineens twee keer zo blij.
Haar ogen vullen zich met tranen, mijn hart vult zich met wanhoop. Er is maar zoveel dat je kunt doen voor de mensen van wie je houdt, hoe graag je ook wilt, er moet een opening komen, een ingang, een klein zacht fluisterend 'help'.
Als ze bevestigend knikt op mijn vraag weet ik dat het moment er eindelijk is. Het is geen schreeuw om hulp, maar in vergelijking met de stilte van hiervoor klinkt het oorverdovend.
Er mag geholpen worden.
Dankjewel.
A blog note a day. Al is het maar ter grootte van een tweet. Honderdveertig tekens. Dat moet toch lukken? Waarom gooi ik wel de hoogst onnozele uitspraken op Twitter, maar neem ik niet de moeite in te loggen op mijn blog? Eventjes een paar woorden schrijven. Of het nu gaat over vallende sneeuw, de prachtfilm Monsieur Lazhar, of het half uurtje dat ik vandaag buiten was om boodschappen te doen. Who cares? Well, I do. Ik moet mijn vingers warm houden. Zeker nu. Zeker in die kou. Maar ach, onzin op Twitter plaatsen blijf ik toch wel doen, all is het maar om aan te kondigen dat ik weer ga proberen vaker te bloggen.
A note a day. #1.
Zondagochtend. De dag van uitslapen, zeker wanneer het de nacht ervoor laat is geworden. Maar ik ben ondanks alles toch wakker, tegen elven. Ik gaap, reik naar mijn iPhone, scroll door mail, nieuws en Facebook, en zie op de Facebookpagina van We Own Rotterdam een aankondiging van #instagramwalk010. Met smartphones door Rotterdam lopen, foto's maken en de resultaten uploaden naar Instagram. Klinkt fantastisch.
Ik ben al lange tijd fan van fotograferen met mijn iPhone, ook te zien aan de pagina die ik ervoor heb ingericht op mijn website. Heel trots ben ik op het feit dat een van deze foto's inmiddels is verkocht, en gebruikt wordt als cover op de dichtbundel van de Rotterdamse dichter Mark Boninsegna. Who needs a DSLR anymore?
Dus dankzij mijn enthousiasme over deze originele meeting met gelijkgestemde fotografen, besluit ik snel op te staan, te douchen en op mijn fiets richting Buiten te fietsen, waar de meeting zal beginnen, inclusief fantastische lunch en heerlijke koffie en thee. Een beetje onwennig kijk ik om me heen, ik zie alleen onbekenden, maar al snel kom ik erachter dat heel veel onbekenden misschien toch niet zo onbekend zijn: sommigen 'ken' ik al via twitter, of zelfs via Instragram. We lopen door de stad, fotograferen, de stoep, elkaar, de lucht, maar vooral heel veel en heel gepassioneerd.
Aan het einde van de 'walk' ontspannen we met een kop koffie of warme chocomelk met slagroom in Trenta Secondi op het Stadhuisplein. Waar inmiddels het schrikbeeld van de digitale generatie is ontstaan: 50 mensen die ongegeneerd naar hun iPhone staren, foto's uploaden, de foto's 'liken' van de persoon die bij hem of haar aan tafel zit, en af en toe roepen: 'Hey, wie is [nickname]? Gave foto's man!'
Voor het eerst is het sociaal geaccepteerd om massaal naar de schermen van de iPhone te staren. Hoewel, buitenstaanders zullen er anders over gedacht hebben.
Een te gekke dag. Een dag die nog gekker word als ik met vier 'nieuwe vriendinnen' de brug over fiets naar het Noordereiland, waar een Open Studio is, ook aangekondigd op de website van We Own Rotterdam. Waar vervolgens de makers van We Own Rotterdam blijken te werken en soep serveren. Handig, kon ik ze meteen bedanken voor de leuke dag die ze me zonder het te weten hadden bezorgd.
[Voor Facebookgebruikers: hier een album met mijn foto's van afgelopen zondag. De complete serie met foto's van alle fotografen kan hier bekeken worden.]
[Special thanks to Buiten op de Binnenweg, Trenta Secondi, Tupalo Rotterdam en de organisatoren Christine en Floor voor het regelen en sponsoren van deze dag!]
Begin van de middag, nog in zondagskledij (joggingbroek) op de bank. Ik hoor herrie. Gegil. Gestamp. Gejuich. Zware mannenstemmen. Op twitter zie ik de hashtag #ajafey (Ajax-Feyenoord) voorbij komen. Ik hoef de herrie boven mijn hoofd niet meer te interpreteren, dat is zojuist bijna automatisch gebeurd. Er moet een doelpunt zijn gevallen voor de club van mijn stad.
Iets later in de middag loop ik door zonnig Rotterdam. Vijf Turkse jongetjes met twee moeders lopen me tegemoet. Dat ze een Turkse afkomst hebben interpreteer ik ook bijna automatisch. Ze dragen allemaal een rode vlag met de bekende witte maan en ster.
"Voetbal", voegt mijn hersenpan aan al die automatische interpretaties toe. De enige andere keren dat ik de Turkse vlag op straat zag was tijdens voetbalevenementen. Er moet iets in voetballand gaande zijn wat ik gemist heb.
Tijdens een zitpauze, genietend van de nog verbazingwekkend warme zon op mijn gezicht, check ik nu.nl. Ik scroll naar 'sport', maar zie niets staan over Turks voetbal. Terug naar boven onder het kopje 'algemeen' zie ik staan: "500-1000 doden na aardbeving Oost-Turkije". De Turkse vlaggen die ik even daarvoor zag krijgen ineens een heel andere betekenis.
Na de zitpauze loop ik over de Erasmusbrug. De brug is afgesloten voor verkeer in verband met werkzaamheden. Toch lijkt de enorme brug drukker dan anders. Mij tegemoet lopen enkele honderden Turkse mensen. Met vlaggen in hun hand, om hun schouders en rode t-shirts en hoofddoekjes. Ik kan niet geloven hoe snel na het nieuws heel Turks-Rotterdam zich heeft gemobiliseerd.
Aan de voet van de brug zie ik een grote groep mensen staan. Er staat politie omheen, hoewel er in mijn ogen alleen maar rust heerst in de groep mensen die ik zie staan. Bovenop een flat hang een man een grote rode vlag naar buiten. Mensen wijzen en zwaaien.
Ik hoor geroep door een dictafoon. Ik zie verschillende cameramensen. Ik hoor gejuich. Ergens klopt de sfeer niet in combinatie met het berichtje dat ik even daarvoor las op nu.nl. Ik besluit nog een keer te lezen. "Confrontatie politie met Turkse demonstranten", zie ik meteen onder het berichtje over de aardbeving staan. Het gaat over Amsterdam. Maar toch herinterpreteren mijn hersenen direct de aanwezigheid van honderden Turks-Rotterdamse mensen op straat.
Nu, thuis, dit stukje typend, denk ik te weten wat ik heb gezien, maar zeker weten zal ik het nooit.
Ik wil niet zo'n blogger wil worden die alleen maar blogt om te zeggen dat ze al tijden niet meer geblogd heeft en die zich verontschuldigt voor het feit dat ze al tijden ook niet meer op andere blogs heeft gelezen (sorry!).
In plaats daarvan schrijf ik hier een nieuwtje neer dat ook al maanden geen nieuws meer is, want als u behoort tot mijn vrienden, familie, Facebookmatties of Twitterfollowers weet u dit al heel lang.
Maar mocht u toch ergens buiten de boot zijn gevallen - hoe kan dat eigenlijk? - dan nog even de officiële mededeling dat ik nu een heuse echte fotowebsite heb: www.rosannedubbeld.nl
[En nee, rosannedubbeld.nl is niet ter vervanging van soyrosa.nl, maar een aanvulling op. Nu nog even mijn goede voornemen waarmaken om allebei de websites met enige regelmaat te updaten.]
Een dreigende lucht, aan mijn linkerhand. Een donkere, bijna perfecte sliert wolken hangt boven de Maas. Nog nooit heb ik zo'n zwarte lucht gezien, en mensen blijven staan om te kijken. Ik niet, ik ben aan het wandelen, en wil stevig de pas erin houden omdat buienradar mij waarschuwt dat ik nog twintig minuten heb om droog thuis te komen.
Ik sla rechtsaf, laat de dreigende lucht achter me. Een kwartier later, vijf minuten voordat er mogelijk een bui los gaat barsten kom ik aan bij de volgende brug. Ik neem even een momentje om te genieten van mijn favoriete uitzicht over de Maas. Ik draai mij om, kijk richting de wolkensliert, hij is er nog. Prachtig. Maar is het een wolk? Of is het brand? RTV Rijnmond vertelt niets over een brand. Het moeten wolken zijn.
Een bezweet hardloopmeisje spreekt mij aan. "Wat gaan die wolken doen?" Ze is aan het hardlopen en twijfelt of ze wel richting die pikzwarte lucht moet lopen. Ik twijfel, en kijk nog een keer op RTV Rijnmond of er misschien sprake is van brand. Want nog nooit zag ik zo'n bizarre lucht. Ik kan nog steeds niets vinden.
Een koude wind steekt plots op. Het meisje naast me wijst ongelovig naar boven. Als ik kijk zie ik boven mijn hoofd de pikzwarte lucht die net nog kilometers verderop te zien was boven ons hoofd hangen. Als ik in de verte kijk is daar plotseling geen wolkensliert meer te bekennen. Hij is me gevolgd. Boven het centrum is de duisternis gevallen, en is de lucht spookachtig donker.
Ik geniet van het bijzondere spelletje van de natuur, en zie de wolk in de verte als het ware langzaam 'oplossen'. Thuisgekomen plaats ik een foto - gemaakt met mijn iPhone - op Facebook. Een ervaren zeevaarder weet mij te vertellen dat ik zojuist een rolwolk heb gezien. Een ander trekt dit in twijfel en vertelt dat er een brand was elders in Rotterdam. Geen natuurfenomeen dus, maar toch gewoon brand.
Omdat een brand geen plotselinge koude wind veroorzaakt stuur ik mijn foto op naar RTL Weer. En inderdaad: ik was getuige van een bijzonder fenomeen, de zogenaamde rolwolk. Een halve uitzending wordt eraan gewijd, en ook mijn foto wordt getoond.
Soms zou ik willen dat ik tussen mijn ogen een videocamera ingebouwd had zodat ik dit soort bijzondere momenten eeuwig en eeuwig in HD-kwaliteit terug kon zien.
Nog maar een aantal weken geleden zat ik in het vliegtuig, kwam ik terug van New York. Het verbaast me op zulke momenten hoe klein de wereld is. Je kijkt drie films, komt niet eens toe aan het leesvoer dat je speciaal voor de vlucht hebt meegenomen, en voor je het weet loop je in een stad die het decor vormt van minimaal één van de films die je zojuist zag.
Weer thuisgekomen geniet ik van Rotterdam. De bruggen, de ‘drukte’ die ineens zo rustig aanvoelt. De ‘hoge gebouwen’ die ineens zo klein zijn. Het uitzicht op de woonbootjes die voor je flat liggen. Het gevoel van energie die de stad me geeft wanneer je met vrienden op een terras zit, op een van de zomerse festivals rondloopt, of een wandeling maakt die minimaal vier bruggen beslaat.
Mijmerend langs de Maas, langs het cruiseschip in het water. ‘Rotterdam’, staat er groot op de zijkant, en ik weet dat er vandaag mensen over de grote oceanen vertrekken naar New York. Vorige week was ik getuige van twee grote cruiseschepen die over de Maas vertrokken, vandaag zou er opnieuw een lading mensen een avontuur beginnen.
Per boot is de wereld misschien iets groter dan ‘drie films verder’, maar och, wat is de wereld klein. Het zien van het schip dat Rotterdam met New York verbindt doen me geloven dat er maar een kleine schakel ontbreekt tussen de stad waar ik van hou en de stad waar ik een ander deel van mijn hart verloren ben.
En terwijl ik denk aan de mensen op de schepen en de bruggen aan mijn én de andere kant van de wereld hoor ik het getoeter van een van de cruiseschepen langzaam uitdoven.
De arts komt af en toe langs bij mij op kantoor. Een vrolijke man, een beetje warrig. Soms stond ik in de keuken en sprak hij me ineens aan; hele verhalen kwamen er dan uit die duidelijk voortboorduurden op een gesprek dat wij samen niet hadden gevoerd.
Het duurde even voor ik doorhad dat hij mij voor iemand anders aanzag.
Een ander kleiner meisje met blonde krullen en lichte ogen werkt ook bij ons op kantoor. Zij doet ander werk, en spreekt in haar functie de arts vaker dan ik. Nog tot enkele weken geleden merkte ik dat de arts mij wéér voor haar aanzag. Grappig, natuurlijk. Hoe sommige mensen moeite hebben met het uit elkaar houden van gezichten en blijkbaar niet het verschil zien tussen mijn donkerblonde krullen en haar lichtblonde.
Afgelopen week zegde ik mijn baan op. Per 1 augustus mag ik namelijk aan een nieuwe uitdaging beginnen, en zodoende verlaat ik het kantoor met mijn 'evenbeeld' en de arts. De arts staat in de gang en wij praten met nog een andere collega. Vanuit de gang zie ik de lichtblonde krullen aan komen lopen. Plots staat de arts tussen mij en mijn 'evenbeeld' in.
Hij kijkt naar links, naar haar. Hij kijkt naar rechts, naar mij. De verrassing op zijn gezicht is duidelijk merkbaar. Ik vermoed dat pas nu ik het kantoor ga verlaten de arme man doorheeft waarom hij soms zulke verbaasde blikken kreeg van 'dat meisje met die krullen'.
Vandaag analyseerde ik mijzelf. Om me zo snel mogelijk in te kunnen werken op verschillende bekende en onbekende persoonlijkheidsvragenlijsten vulde ik ze stuk voor stuk zelf in. Na het invullen vond een leuk proces plaats van nakijken met mallen, scores bij elkaar optellen, vergelijken met de normgroep (lees: 'normale vrouwen' of 'psychiatrische patiënten') en het samenvattende profiel tekenen in een daarvoor bestemd vakje.
Leuk om te doen. Hier scoor ik laag, daar scoor ik hoog, even verderop heb ik een typisch profiel waar ik even mijn wenkbrauwen bij omhoog trek. Gelukkig staat er in de handleiding dat er bij zo'n profiel ook rekening gehouden dient te worden met zus en zo, en dus is het profiel dat ik zie toch niet zo gek. Of toch wel?
Want weer een vragenlijst later komt er weer een score uit die ik niet verwacht. En nog een vragenlijst later zie ik dat ik eigenlijk opgenomen zou moeten worden in een zwaar beveiligde inrichting.
Tien vragenlijsten later kom ik tot een conclusie. Ik weet precies wie ik ben, waarom ik dingen doe die ik doe, waarom ik mijn blogjes schrijf zoals ik ze schrijf en zelfs heb ik ontdekt waarom ik zo ongelooflijk de behoefte had om mee te doen aan de #blogrevival deze week.
Jammer wel dat ik over die conclusie niet kan bloggen, want ik heb me als psycholoog natuurlijk wel te houden aan de geheimhoudingsafspraak met mijn patiënt.
De vrouw draagt een gebloemde jurk, een donkerpaarse hoofddoek, een mooie speld die de hoofddoek bij elkaar houdt, is make-uploos, mooi, lief, is moeder van vijf kinderen, heeft zorgen, heeft pijn op haar borst, komt niet meer uit haar eigen angstige gedachten, huilt, maar niet uitbundig, heel ingetogen, alsof ze denkt niet verdrietig te mogen zijn.
Ik hou even haar hand vast. Ze knijpt terug in de mijne, en antwoordt met het Arabische Insha'Allah op mijn bemoedigende woorden.
Een klein moment dat ineens grote dingen met het brein doet. Een klein moment dat me raakt. Eigenlijk zou ik er daar iedere dag een van op moeten schrijven.
Ik ben het meisje dat altijd lacht. Het bewijs voor deze stelling kwam een tijdje geleden. Ik was misselijk, verdrietig, had niet ontbeten, had de nacht ervoor niet geslapen, was met mijn gedachten kilometers weg en een collega merkte op: "Goh, jij bent ook altijd vrolijk!"
Sindsdien weet ik dat mensen denken dat ik dus daadwerkelijk altijd vrolijk ben. Zelfs als ik me rot voel. Begrijpen doe ik het wel. Alleen bij de mensen die het dichtst bij me staan durf ik wel eens sjagrijnig te zijn. Maar verder? Ik lach altijd. Maar lachen is iets anders dan vrolijk zijn.
Misschien denkt u nu: 'waarom doet dat meisje dat? Waarom laat ze haar ware gemoedstoestand niet zien? Waarom doet ze zich vrolijker voor dan ze daadwerkelijk is?'
Welnu, ons bijzonder fascinerende brein heeft me een reden gegeven om te lachen als ik me niet vrolijk voel. En echt, u moet het zelf ook eens proberen. Want onderzoek van de heer Ekman wijst uit dat we onze emoties kunnen bepalen door de manier waarop ons gezicht staat. Het aanspannen van bepaalde spieren kan ervoor zorgen dat we ons depressief of juist vrolijk gaan voelen.
Dus ja. Inderdaad. Je gezicht in de lachstand zetten kan ervoor zorgen dat je je vrolijker voelt. En daarom zal ik voor de meeste mensen het meisje blijven dat altijd lacht. Zoals ik al zei: lachen is iets anders dan vrolijk zijn. Lachen is een soort natuurlijk en onschuldig medicijn waardoor je je vrolijk gaat voelen.
[En het hielp vandaag ook weer. De rij bij de AH was lang, de klant voor me deed vervelend, het was weer mijn tijd van de maand, au, au, au, fuck, buikpijn, en het kassameisje liet een van mijn flesjes bier vallen dat ze op haar gemak op ging ruimen en waardoor ik weer terug de winkel in moest om nieuwe te halen. Maar in plaats van zuchten lachte ik en gaf ik een knipoog naar een man achter een rollator die net zo vrolijk stond te kijken. Terwijl hij zelfs nog een plek naar achter in de lange rij stond. Ik verliet de AH met een opgewekt gevoel.]
En toen begon ik uit verveling te bloggen en toen reageerde er iemand op mijn weblog en toen reageerde ik ook op iemand anders zijn weblog en toen kreeg ik nog een reactie en toen kwamen er meer en meer en meer reacties en toen kreeg ik soms wel veertig reacties op een blogje en toen verhuisde ik naar een ander weblog en toen kreeg ik het weblog in eigen beheer en toen werd bloggen serieuzer en toen leerde ik zelfs mensen kennen via mijn weblog en toen kreeg ik zelfs een vriendje via mijn weblog en toen gingen bedrijven ineens ook bloggen en toen werden wij bloggers ineens 'lijfloggers' genoemd en toen kwamen er enge nieuwe dingen bij zoals twitter en toen gingen mensen meer twitteren en toen blogde ik ineens niet meer anoniem en toen gingen mensen ineens minder bloggen en toen ging ik steeds minder blogs lezen en toen kreeg iedereen steeds minder reacties en toen kreeg ik soms niet eens tien reacties meer en toen werd bloggen ook steeds minder interessant en toen ging ik nog minder bloggen en toen ging ik zelfs minder twitteren en toen was er ineens behoefte aan een blogrevival.
En toen ging ik daar deze week maar eens aan meedoen.
[In het kader van de blogrevival zal ik deze week proberen dagelijks te bloggen. Proberen ja, want na een tijdenlange impasse... Wie weet hoe groot de inspiratie of het writersblock zal zijn. Een lijst met deelnemers vindt u hier.]
We zitten de zon op het gras tussen de bomen in een mooi park in Rotterdam. Ik heb hier gewerkt, vroeger. Een vreselijke plek. Niet de locatie van het bedrijf, maar het bedrijf zelf was vreselijk. 's Ochtends kwam ik twintig minuten voor tijd aan met de tram. Ik kon het na enkele weken precies zo timen dat ik toch nog 19 minuten deed om het gebouw binnen te stappen. Nog even naar de bootjes staren in de haven, nog even een paar blokken omlopen. Hoe minder tijd ik binnen besteedde, hoe beter.
Nu zit ik hier. Vrij van dat vervelende buikpijngevoel. Dat gevoel dat ontstaat als je iets moet doen dat je niet wilt. Ik kan me de opluchting nog herinneren toen ik ergens anders kon werken. Het leek de ultieme vrijspraak.
Aboutaleb, onze Rotterdamse burgervader, spreekt ons toe vanaf het podium waar net nog leuke bandjes stonden te spelen. Hij spreekt over vrijheid. Over hoe we dat moeten eren, en hoe we vandaag feest vieren op de schouders van de mensen die ooit voor ons vochten. En hoe gezegend wij zijn, hier te mogen zitten, middenin Rotterdam, in het gras, tussen de bomen, en hoe er op dit moment een jongen in Syrië met een steen in zijn hand staat, en op weg is deze steen naar een tank te gooien. Een tank die symbool staat voor de gevangenschap waarin hij leeft.
En dat niet wij, niet ik, niet jij, maar juist hij de persoon is die weet wat vrijheid eigenlijk inhoudt.
Ik staar naar het schilderij voor me. Vermaak me met het maken van foto’s met mijn digitale camera. Naast me hoor ik het geluid van een sluiter. Het geluid klinkt analoog. Met een blik op rechts wordt mijn vermoeden bevestigd: hier zit iemand in het meest hippe museum van New York met een van de oudste camera’s die ik ooit heb gezien foto’s te maken. Mooi contrast.
Het is een oud mannetje, met een lichtblauw overhemd aan, en een linnen tasje op schoot. Af en toe staat hij op en schiet hij een foto. Bewegen gaat nauwelijks, zijn hele lichaam is stram, maar hij haalt duidelijk plezier uit het bedenken van composities voor de foto’s in zijn volgende foto-album. Tenminste, zo bedenk ik dat.
Als ik een kwartier later nog steeds naar het schilderij voor me zit te kijken, zie ik andere mensen verbaasd kijken naar de inmiddels lege plek naast me. Het mannetje is enkele minuten geleden weggestiefeld naar een van de andere grote ruimtes van het museum. Als ik hun blik volg zie ik waar ze naar kijken: een volgeschoten fotorolletje ligt op het bankje. Het beeld van een fotorolletje lijkt niet binnen de context van de moderne ruimte waarin we ons bevinden te passen. Het object op het bankje lijkt zelfs zó vervreemdend dat ik mensen zichzelf zie afvragen of het misschien onderdeel is van een expositie.
Ik begrijp die gedachte.
Ik pak het rolletje, en besluit op zoek te gaan naar de man. Hij is al oud, misschien is hij in alle commotie vergeten het op te bergen en in zijn tas te doen? Na zeven zalen doorgezocht te hebben zie ik ineens het oude mannetje in zijn blauwe overhemd. Ik roep hem, steek mijn hand uit, laat hem het rolletje zien, en vertel dat hij het vergeten moet zijn.
“No”, zegt hij, “I don’t want it anymore”.
Zijn stem klinkt resoluut. Verdrietig. Ik vraag hem of hij het zeker weet.
“Yes”, antwoordt hij, “I don’t want it anymore”.
Met die woorden draait hij zich om en vervolgt hij zijn weg. En zit ik terug in Nederland te bedenken wat ik moet doen met een fotorolletje van iemand die ik niet ken en die de foto’s om een voor hem duidelijke reden niet wilde laten ontwikkelen.
Ik zit ‘on top of te rock’. Het is koud, maar de zon gaat net onder, en op zeventig verdiepingen hoog uitkijken over Manhattan is het klappertanden waard.
Ernie is een luidruchtige Amerikaan die met een brede glimlach en vol enthousiasme iedereen met de Empire State Building op de achtergrond op de foto zet. Je hoeft het niet te vragen, hij rukt praktisch je camera uit je handen om je ongevraagd op de foto te zetten. Zo komt het dat zelfs ik, die het vaak vermijd om op foto’s gezet te worden, nu op het geheugenkaartje een foto heb staan van mezelf. Mét de skyline van New York achter me.
Als ik iets later op een randje ga zitten blijk ik per ongeluk voor een rooster te zitten waar warme lucht uit komt blazen. Zeer welkom, want de zon is inmiddels helemaal onder, en het is kouder dan ooit.
Ernie, die me inmiddels ‘baby’ noemt, loopt een aantal keer langs. “Just soaking it up, huh?”, vraagt hij als ik na een half uur nog steeds naar de steeds meer verlichte stad zit te kijken. “Is it cold enough for you?”, vraagt hij bij de tweede keer langslopen. En na de derde keer buigt hij ineens naar me toe en roept: “Wait… Is that warm air coming out of that vent?”
Vanaf dat moment is Ernie mijn grootste vriend. Ik word geen ‘baby’ meer genoemd, maar ‘Rose’. “Keep my spot warm, Rose!”, roept hij elke keer als hij van me wegloopt om weer mensen op de foto te zetten.
Maar iedere keer komt hij terug en staren we naar de stad. De lichtjes. De bruggen. “Never knew I had a warm spot here”, zucht hij.
In de verte kleuren twee torens blauw. Hij vertelt dat ze gisteren rood waren. Ik lach, en vertel hem dat ze om de paar minuten van kleur veranderen.
De mond van Ernie valt open. Nog iets dat hij niet wist. “You’re smart and very observant, Rose, you’ve got the whole world on your feet and I’ll never forget you”.
En terwijl ik op 70 hoog samen met mijn nieuwe beste vriend uitkijk over de gaafste stad ter wereld voelt het inderdaad even alsof heel de wereld aan mijn voeten ligt.
Zigzaggend door de stad. Ik zoek met behulp van mijn iPhone de juiste overstappunten binnen het ingewikkelde metronetwerk. Simpelweg op de juiste lijn stappen betekent hier niet dat je op de juiste plek uitkomt: de verschillende kleuren lijnen (8) splitsen zich soms op in vier eindbestemmigen, en dan moet je ook nog opletten of je uptown of downtown gaat. Ohja, en of je in een express of local train stapt kan het verschil maken tussen op iedere halte stoppen of plotseling vijf tussenliggende haltes overslaan.
Drie metrolijnen later stap ik uit waar ik zijn moet. Dat is hindernis 1. De tweede is de weg ook te voet weten te vinden. Vanuit de metro kan ik vier uitgangen kiezen, maar als je nauwelijks weet waar je bent kun je ook nauwelijks bepalen waar je precies wilt zijn.
In New York hebben ze een geniaal systeem bedacht, speciaal voor vrouwen als ik: alle avenues lopen van Noord naar Zuid, en alle straten lopen van Oost naar West. Als je na een blok lopen van 107 ineens 108 ziet weet je dat je naar het Noorden loopt, en als je dus eigenlijk naar het Zuiden had gemoeten word je meteen gewaarschuwd en draai je je om. Lopen de nummers van de gebouwen waar je langs komt op dan loop je naar het Oosten, lopen ze af ga je richting het Westen. Appeltje eitje.
Maar dan nog: als je in zo’n immense stad bent kan zelfs bepalen waar 6th avenue ligt ten opzicht van 5th avenue verwarrend zijn, omdat je nog niet altijd over de juiste herkenningspunten beschikt.
Vijf blokken rechtdoor, zes blokken naar rechts, één naar links. Met mijn ogen gesloten sla ik de hoek om, ik doe een schietgebedje, en JA!, ik ben zowaar in één ruk, zonder fout te lopen op de plaats van bestemming beland.
Vol trots en bijna met een air van een echte New Yorker steven ik met een beker hete thee in mijn hand op de ingang af.
“Closed on Tuesdays“, lees ik op een bordje.
Dan maar een nieuwe bestemming zoeken.
Het grote gapende gat midden in New York City. Zelfs wij Nederlanders weten vaak nog precies te vertellen waar we waren, 9/11 in 2001. Ik zat thuis, op de bank, toen mijn buurjongetje op zijn fiets langsreed, aanbelde, en zei dat ik NU de televisie aan moest zetten. Iets met een vliegtuig en een gebouw. De televisie ging de rest van de dag en avond niet meer uit.
Als ik langs de plek loop waar nu hard gewerkt wordt aan iets dat een schrale troost zal zijn van wat ooit geweest is krijg ik kippenvel. Nu ik New York een beetje heb leren kennen besef ik pas goed dat de stad in 2001 in haar hart geraakt is.
Veel van de bouwput kun je niet zien, alles is afgeschermd, waarschijnlijk om te voorkomen dat drommen glurende toeristen de dagelijkse bezigheden van de New Yorkers belemmeren.
In het WTC Tribute Center wordt meer duidelijk over de twee torens. Het WTC was een stad op zich: dagelijks waren er 50.000 mensen aan het werk, 150.000 kwamen dagelijks op bezoek, en zo waren er dagelijks dus meer mensen in die twee torens aanwezig dan in een gemiddelde stad in Nederland. Het WTC was een volledige gemeenschap met eigen bakker, Starbucks, kinderopvang, en wat iedereen nog meer in een stad zou verwachten.
De foto's van honderden gezichten die aan het eind van de expositie bij elkaar aan drie muren hangen doen me letterlijk tot tranen roeren. Allemaal lachende gezichten, jong, oud, mannen, vrouwen, stelletjes, in alle nationaliteiten. De muur moet een perfecte afspiegeling zijn van de inwoners van Manhatten. En al deze mensen, met al hun verschillen, hoorden toch op de een of andere manier bij elkaar.
Eén foto in het bijzonder staat op mijn netvlies gebrand. Een jongen, een meisje, lachend en met de armen om elkaar heen, staan ergens in New York, en worden op de foto gezet met de WTC-torens op de achtergrond. Stonden ze bewust met hun werkplek op de foto? Waren ze zich überhaupt bewust van het feit dat dit deel van de skyline op de foto zou verschijnen?
Een antwoord zal ik nooit krijgen. Maar een ding is zeker: er zijn maar weinig mensen ter wereld duidelijk dolgelukkig op de foto staan met hun eigen sterfplek als decor.
Een klassiek ontbijt in New York City: een bagel met cream cheese. Vriend E. en ik zitten te genieten van dit ochtendritueel in een bagelshop direct om de hoek van ons hotel, een winkel met bagels die toevallig door New York Times is uitgeroepen tot de beste van heel Manhattan. Niet alleen kan ik me voorstellen dat dit klopt, heel de Upper West Side lijkt het met de New York Times eens te zijn: in het weekend lijnen de mensen zich op tot ver buiten de winkel. Ze schijnen allemaal te weten: het is het wachten waard, zelfs in regen en kou.
Uitkijkend over Broadway met zijn gezellige winkeltjes en drukke verkeer verbazen we ons over de verrassend gave stad. Ineens worden we verrast door een lachend gezicht dat voor het raam verschijnt. Het waarom blijft ons een raadsel, maar het mannetje kijkt naar binnen, kijkt ons aan, begint te lachen, zwaait, en als ik terugzwaai draait hij zich om en komt hij de winkel binnen.
We worden begroet als oude vrienden, en de man glundert van oor tot oor als we hem een hand geven. Hij belooft ons, volledig uit het niets, dat als hij ooit de loterij wint dat hij 'us guys' laat delen in de winst. Ik twijfel er geen moment aan dat hij het meent. Na het doen van deze belofte loopt hij weg, vriend E. en mij lachend achterlatend na deze bijzondere ontmoeting.
Een paar dagen na dit incident zitten vriend E. en ik wederom met uitzicht op Broadway elders in de Upper West Side iets te drinken. Een lachend gezicht verschijnt voor het raam: het mannetje met zijn grijze haren en kleine pretoogjes zwaait, en komt weer binnen, alsof we afgesproken hebben het gebeuren van een paar dagen geleden nog een keer te herhalen.
"When I win the lottery I will get you guys out of here", belooft hij ons, en na een hand vertrekt hij naar een onbekende bestemming, ons achterlatend met een bijna spijtig gevoel dat we deze man waarschijnlijk nooit meer terug gaan zien.
Nooit zullen we weten waarom deze man het gevoel heeft ons weg te moeten halen van een plek waar we zo van zijn gaan houden.
De rommel op mijn bed en vloer even negerend open ik het schrijfscherm. Tikken ging me vroeger makkelijker af. Ik deed het gewoon. Dacht niet na, want had nog geen lezerspubliek, wist niet dat er zoiets bestond als een doelgroep. Ik tikte gewoon. Hoe makkelijk was het leven.
Vroeger had ik het hier beschreven. Over de eekhoorn. Hoe die vrolijk de boom omhoog klom, lonkte, knipoogde, daarna naar beneden donderde en zijn staart brak, als dat al mogelijk is. Maar of iets mogelijk is hoeft voor een schrijver geen belemmering te zijn.
Puur op gevoel, geen ratio, gevoelens en gedachtes de vrije loop. Ik was jong. Ben nog steeds jong. Maar ouder. Ik weet wie er met me meeleest. Of iemand meeleest zou voor een blogger geen belemmering moeten zijn.
Het is vandaag, of gisteren, of eergisteren, in ieder geval deze maand het zevenjarige bestaan van 'Roos' in de gedaante van blogger. Het zijn mooie jaren geweest. Ik moet meer schrijven. Misschien begin ik daar wel weer mee in of na New York.
Het notitieboekje en de gedachte aan de eekhoorn gaan in ieder geval mee.
Met zijn allen staan we bij elkaar. De avond is droog, koud, en ruikt naar wierook en aankomende lente. Met onze gezichten geheven luisteren we naar een van de bekendste schrijvers van Rotterdam, die een wereld schildert van verwondering, onmogelijke gebeurtenissen en die een lach op ons gezicht tovert.
Een gouden figuur vliegt weg over het dak van een van de musea waartussen we verzameld staan. Plots geven alle bomen licht, en klinkt er geluid, herrie, en zien we boven onze hoofden een groene deken van licht ontstaan. Het licht golft, beweegt, creëert tekeningen op de muren van de Kunsthal, en betovert het Museumpark.
Kinderen en volwassenen steken hun handen omhoog om de deken van licht aan te kunnen raken. Maar het licht laat zich niet pakken, het beweegt alleen. Het geluid zwelt aan, verandert, beweegt mee met het licht. Het is magisch, en er zijn momenten waarop ik achter me kijk of er niet stiekem toch écht een invasie is van aliens.
Als het afgelopen is klinkt er een zucht van stilte door het park. Het is de tiende editie van de Museumnacht, '10x010'. Iedere Rotterdammer die van zijn stad houdt is aanwezig. En we weten: de nacht is nog maar net begonnen.
"Mag ik uw vervoersbewijs zien, alstublieft?", vraagt de conducteur. Al van ver zie ik hem aankomen. Ik pak het kaartje uit mijn portemonnee, en wacht tot hij langs mijn zitplaats zal komen.
Het duurt lang voordat het zover is. Een aantal plaatsen verderop schrijft de conducteur een boete uit. Twee haltes verder kan hij pas weer doorlopen.
Nog twee vierzitjes is hij verwijderd van mij. Uiteindelijkt komt hij aanlopen en steekt hij zijn hand uit, om mijn kaartje aan te pakken. "Is goed hoor", knikt hij, en draait zich om naar het vierzitje aan de andere kant van het looppad. Daar zitten twee jongens, Marokkaanse jongens, en zometeen wordt duidelijk waarom ik dat nadrukkelijk erbij vermeld.
"Mag ik alsjeblieft jullie vervoersbewijs zien?", vraagt de conducteur aan de twee jongens. Maar de jongens reageren niet. De een kijkt star voor zich uit, de andere kijkt, zijn oordopjes nog wat steviger in zijn oren duwend, uit het raampje naar buiten.
Als de jongens niet reageren, herhaalt de conducteur zijn vraag. Hij zwaait met zijn hand voor de ogen van de ene jongen, die hem aankijkt.
"Wilt u mijn kaartje zien? Wat voor kaartje dan?", vraagt hij zogenaamd onnozel. "Dat weet je best", antwoordt de conducteur. Na nog een aantal van dit soort grapjes te hebben gemaakt haalt de jongen het kaartje uit zijn jaszak, en toont het aan de conducteur. Die knikt, het is goed zo.
Dan is de tweede jongen aan de beurt, die nog steeds net doet alsof er niets aan de hand is. "Hallo?", ook bij deze jongen wappert de conducteur met zijn hand voor de ogen van de jongen. De jongen doet net of hij niets ziet. Dan raakt hij de jongen aan bij zijn schouder. Nu reageert de jongen wel: "Wat? Mag u mij aanraken? Heeft u dat gevraagd?", reageert hij op agressieve toon. "Ik wil graag jouw kaartje zien", reageert de conducteur.
"Wat? Waarom? En moest je me daarom aanraken?", reageert de jongen. Een verbaal gevecht ontstaat, en uiteindelijk laat de jongen met veel omslachtige gebaren zijn kaartje zien. De man bekijkt het kaartje, en is het zat, geeft het kaartje niet terug aan de jongen, maar legt het op de stoel voor hem neer. "Prima", zegt hij er nog achteraan, want het kaartje is gewoon een geldig kaartje.
"Jammer he!", roept de jongen nu. "Je kunt geen Marokkaantjes pakken dit keer!"
De conducteur loopt door.
"Racist!", roept de tweede Marokkaan nu achter hem aan.
De conducteur negeert het tweetal zo goed en zo kwaad als het kan.
"Wilders!", roept Marokkaan 1.
"Geertje!", roept Marokkaan 2.
Als ik de twee jongens nog eens goed bekijk vraag ik me af of ze beseffen dat zij vandaag degenen zijn die discrimineren. En hoe dat voelt voor de conducteur. Maar ook hoe zij zich voelen, en waarom ze doen wat ze doen, waarom ze zichzelf opzettelijk in hokjes plaatsen. En wat Wilders hier eigenlijk mee te maken heeft.
Stralend vertelt de vrouw over haar zoontje van 7 jaar oud. Hij was vorige week jarig, begrijp ik uit het beperkte Nederlands dat ze spreekt. Hij had mooie cadeaus gekregen, en hij werd al zo groot, en hij ging naar school, en dat ging zo goed, en, en, en…
De vrouw vertelt vol trots en liefde over haar kind. Ze vertelt me dat hij wel eens tegen haar zegt: “mama, jouw Nederlands is slecht, jij moet naar school”. En hier zat ze dan, want ze was het met haar zoontje eens. Hij werd steeds groter, en het moment zou al snel komen dat ze hem niet eens meer zou kunnen helpen bij zijn huiswerk, omdat zij de uitleg niet zou kunnen lezen.
De blik in haar ogen wordt treuriger. “Mevrouw, ik wil Nederlands leren”, zegt ze met een serieus gezicht. Want vorige week, toen haar zoontje jarig was, had haar zoontje om een taart gevraagd. Ze was met zijn specifieke wens naar de banketbakker gegaan, en had zo’n taart weten te reserveren. Toen ze op de verjaardag de taart ophaalde en vol trots aan haar zoontje liet zien, had haar zoontje gezegd: “mama, die taart is niet de taart die ik wilde”.
“Mevrouw, ik wil Nederlands leren”, zegt de vrouw nogmaals. “Ik kan niet eens een goede taart voor mijn zoontje bestellen”.
Alle mooie verhalen over allochtone Rotterdammers die ik spreek zouden een boek kunnen vormen. Een boek waaruit zou blijken hoe kwetsbaar, mooi en divers deze groep mensen is. Allemaal met hun eigen problemen, onzekerheden, talenten, en vooral bijzondere verhalen. Een groep mensen waar ik inspiratie uit haal, die me raakt. Die me een spiegel voorhoudt over mijn eigen leven, mijn eigen jeugd, mijn eigen cultuur (of gebrek daaraan), mijn gewoontes en gebruiken en mijn taal.
Maar al mijn positieve associaties met de doelgroep ten spijt, zie ik ook de keerzijde van de allochtone samenleving in Rotterdam. Er is namelijk ook een grote groep allochtone Rotterdammers die geïsoleerd is geraakt. Die na (soms tientallen) jaren in Nederland te wonen nog steeds geen onderdeel is van de maatschappij.
Vrouwen die wel boodschappen doen, maar alleen om de hoek bij de ‘eigen’ supermarkt. Vrouwen die wel mensen op bezoek krijgen, maar alleen familieleden die in haar eigen taal spreken. Vrouwen die wel naar een buurthuis ‘mogen’ van hun man, maar alleen omdat daar geen mannen komen, en alleen als ze door een mannelijk familielid gebracht worden. Vrouwen die het telefoonnummer van de ambulance niet kennen en alleen met behulp van hun man naar de dokter kunnen.
Hoe groot deze groep vrouwen is besef ik pas als ik mezelf betrap op een gedachte waarvan ik nooit had gedacht die ooit te zullen hebben. Zo zat tegenover me een vrouw, gesluierd, me met gebaren duidelijk te maken dat ze geen Nederlands sprak. Ik wilde weten hoe lang ze al in Nederland woonde, maar ze kwam hier niet uit: ze begreep de vraag niet, en kon zodoende al helemaal geen antwoord geven.
Bladerend in het dossier kijk ik naar de achtergrondgegevens die ik van een andere partij toegestuurd heb gekregen. Ik zie staan dat de vrouw begin 2003 naar Nederland is gekomen. En dan hoor ik mezelf denken: “Oh, logisch dat deze vrouw nog geen Nederlands spreekt, ze woont pas acht jaar in Nederland”.
Het gebouw tegenover me is groot, nieuw, en pas sinds enkele weken vol in bedrijf. Mensen lopen af en aan over de lange gangen, van en naar het kopieerapparaat, door deuren naar collega’s, via het trappenhuis naar de verdieping erboven, of naar de leesruimte beneden.
Vanaf mijn positie tegenover het gebouw, ik werk op de zesde verdieping, kan ik alles zien en volgen. Soms staar ik naar buiten, en roep ik mezelf tot de orde. Ik vraag mezelf dan om me bewust te worden van wat ik zie. Te vaak verandert er iets in je omgeving, of blijft het juist hetzelfde, en zie je het niet. Blijft het onopgemerkt, totdat je jezelf vraagt eens écht ernaar te kijken. Want wat gebeurt er bijvoorbeeld in het gebouw waar je iedere dag langs fietst en tegenover zit te werken?
Ik vraag het me af. Ik zie een man in een lichtblauw overhemd en een zwarte pantalon met een stapeltje papieren naar het kopieerapparaat lopen. Hij stopt de stapel papieren in het daardoor bestemde vak en haalt er aan de andere kant een nieuwe stapel uit. Hij loopt met de stapel papieren naar een bureau van een collega, en legt het stapeltje – nog warme, zo stel ik me voor – papieren bij hem neer. De collega in kwestie negeert de actie volkomen, want deze zit aan de telefoon met drukke gebaren een gesprek te voeren.
De man met het blauwe overhemd loopt een andere deur door, en verdwijnt uit mijn zicht.
Hoe graag ik het ook zou willen, ik kan niet de hele tijd blijven kijken. Maar als ik weer eens zoiets zie blijf ik met vragen zitten. Namelijk: wat was het nut van het kopiëren van de stapel papieren? Deed de man dit uit zichzelf, of deed hij dit in opdracht? En in opdracht van wie? En waarom? En wat verandert er in het kantoorgebouw, in Rotterdam, of elders in Nederland, naar aanleiding van het kopiëren van die stapel papieren? Wiens leven wordt erdoor beïnvloed? Misschien zelfs dat van mezelf? En hoe groot is die invloed? Zou de wereld hetzelfde zijn blijven draaien als de man in het blauwe overhemd de stapel niet op de bureau van zijn collega had gelegd?
Nog met mijn hoofd bij al deze onbeantwoorde vragen loop ik met een stapeltje papieren naar het kopieerapparaat. Ik haal de papieren er doorheen, krijg een nieuwe stapel papieren, en loop ermee naar een bureau. Ik ga zitten, loop de stapel papieren door, en verstuur uiteindelijk een deel per post. Een actie waarvan ik het nut ken, maar die in de ogen van een buitenstaander misschien net zo nutteloos kan lijken als die van de man in het blauwe overhemd. En zelfs nu, nu ik het nut van de actie ken, betrap ik mezelf erop dat ik denk: 'welke bijdrage lever ik met mijn kleine acties aan de grote complexe wereld waarin ik leef?'
De man en de vrouw die uit een ver land in Nederland kwamen wonen schilderden allebei. Tekeningen van landschappen, van mensen, hun eigen verhalen. Pas aangekomen in Nederland schilderden ze hun verhalen in zwart-wit. Allebei. Het verdriet was te groot, Nederland was nog niet hun 'thuis', ze waren verdwaald in de wereld, zagen geen kleur.
Pas later, hun kinderen zaten bij mij en mijn broertje op school, vonden ze een plek. Een thuis. Ze lachten. Groetten iedereen, en werden door iedereen begroet. Waren vrolijk. En ze beschilderden een grote container op mijn schoolplein. In kleur nu, want er was voor hun veel in positieve zin veranderd sinds de dag dat ze vertrokken uit hun eigen land.
De man en de vrouw die nu tegenover me zitten doen me aan hun denken. Ze spreken nog nauwelijks een woord Nederlands, hun zoon is een snelle leerling, en probeert zo goed en zo kwaad als het kan het gesprek aan twee kanten te vertalen. Moedig, want ook hij is pas net in Nederland.
De man en de vrouw proberen uit alle macht met mij en mijn collega's te communiceren. De prachtige vrouw met donkerbruine krullen verstopt onder een sjaal om haar hoofd en felgroene ogen probeert met gebaren een verhaal te vertellen. Haar man, een donkere oosterling met een lieve blik in zijn ogen staat haar bij. Waar haar gebaren stoppen gaan de zijne verder.
Ze maken een toets. Vragen ons via hun zoon de oren van het hoofd. Want hun leven bestaat nu alleen uit eten en slapen en televisie. "Eten, slapen, televisie, eten, slapen, televisie", herhaalt de man. Met zijn handen wijst hij naar zijn hoofd, om duidelijk te maken dat hij er gek van wordt. Zich verveelt. Iets wil doen. Of ze alsjeblieft snel naar school mogen om in te burgeren zodat ze daarna aan het werk kunnen?
We leggen ze uit hoe het traject dat ze zullen gaan volgen zal verlopen. En dat ze al over 3-4 weken 5 ochtenden per week naar school zullen gaan.
De vrouw vouwt haar handen samen en zegt 'dankjewel', terwijl haar hele gezicht straalt. De man slaakt een diepe zucht van verlichting. De jongen kijkt met een blik vol emotie naar de reactie van zijn ouders. En met een gevoel van spijt dat ik hun niet het verhaal kan vertellen over het andere gezin dat zich nu zo goed op hun plek voelt in Nederland neem ik afscheid. Met de hoop dat ik dit gezin ooit nog tegen zal komen en ze mij zelf kunnen vertellen dat hun leven niet meer alleen bestaat uit zwart en wit.
Hij vertelt over zijn verzameling flessendoppen. Ik luister geïnteresseerd, want in mijn nog jonge leven ben ik nog nooit iemand tegengekomen die flessendoppen verzamelt. Wel iemand die afgebroken potloodpunten verzamelde. En bierglazen. En theezakjes. Of die zilverkleurige lipjes van blikjes frisdrank en bier.
Maar flessendoppen, nee, dat nog nooit.
Acht zakken vol had hij verzameld, vertelt hij me. "Vuilniszakken he", voegt hij eraan toe, daarmee meteen mijn visioen van bescheiden AH-tassen wegvagend. "Acht vuilniszakken", denk ik bij mezelf, dat is wel veel.
Met de volledige openheid die ik wel vaker tegenkom in de doelgroep waarmee ik regelmatig werk vertelt hij verder over zijn verzameling flessendoppen. Hoe hij ze van iedereen kreeg, van straat opraapte en steeds maar weer in een vuilniszak stopte. Om er een ketting van te rijgen. Er bleek een wedstrijdelement te zijn met zijn vriendjes: degene die de langste ketting reeg van flessendoppen won eeuwige roem.
Maar toen kreeg hij een ongeluk. Een heftig ongeluk waarmee hij onder andere zijn arm en hand verminkte. En toen kon hij geen gaatjes meer prikken in die flessendoppen. Bovendien was een van zijn vriendjes tijdens het betreffende ongeluk gestorven. De ketting was er nooit gekomen, en de 8 vuilniszakken met flessendoppen had hij uiteindeiljk maar weggegooid.
Opgewekt vertelt hij me over zijn nieuwe verzameling. Modelauto's dit keer.
Laat ik er kort over zijn: ik heb gefaald. Maar ben geslaagd tegelijkertijd. Want hoewel ik gisternacht om 00:00 niet de beoogde roman van 50.000 woorden afkreeg, heb ik toch grofweg een halve roman geschreven. En dat is meer dan ik voor elkaar had gekregen zonder het fantastische NaNoWriMo.
Valkuil: tijd. Tijd, tijd, tijd. Als je werkt (en toevallig in november 75 uren extra...), af en toe wilt sporten, af en toe een gezellig weekend hebt en je vrienden niet wilt verwaarlozen én ook nog gemiddeld 7 uur per nacht wilt slapen blijven er weinig schrijfuren over. En dat brak eigenlijk in de eerste week al op: want met mijn impulsieve 'last-minute' beslissing om mee te doen aan de NaNoWriMo begon ik 1 november zonder plot, zonder hoofdpersonen en zonder echte inspiratie aan het schrijfproces. En probeer dan maar eens 1650 woorden per dag te schrijven.
Tegen de tijd dat je een beetje op gang bent, weet waar het boek naartoe moet gaan, kom je bij het tweede moeilijke punt: doorzettingsvermogen. Want niemand, en ik bedoel echt: niemand kan een goed boek schrijven in een maand. Daar is de NaNoWriMo ook niet voor bedoeld. Het gaat om productie van woorden. Schrijven, schrijven, schrijven, zonder je al te veel druk te maken om de schrijfvorm of mooie zinnen. 'Editing is for december', was het motto. Maar hoe moeilijk is het om door te blijven schrijven als je je stiekem toch druk maakt om de vorm? En hoe moeilijk is het om door te blijven schrijven als je eigenlijk weet dat je je in het onderwerp had moeten verdiepen, omdat je nu wellicht onzin aan het opschrijven bent?
En dan kom je aan in de derde week. Daar had ik me al berust in het feit dat ik de eindstreep niet ging halen, maar bleef ik toch vrijwel iedere dag schrijven. Omdat het nog steeds november was, zeg maar. En nu is november om, en is mijn boek nog niet af. Maar ik heb een jaar om na te denken over een nieuwe start, namelijk een jaar om me voor te bereiden op NaNoWriMo 2011. Want leuk vond ik het. En meedoen ga ik zeker weer. Maar nu met in mijn achterhoofd de wetenschap dat ik die maand alle andere bezigheden opzij zal moeten zetten, alvast een verhaallijn moet bedenken, en me in het onderwerp in zal moeten lezen...
Wordt vervolgd in 2011 dus.